<=
Index
=>
Noteer het juiste bijvoeglijk naamwoord in de zin.
Op een
(bewolkt) dag hoor je
(bedrukt) mensen soms zeggen: „De zon schijnt niet.”
Maar de zon schijnt natuurlijk altijd. Alleen verspert een
(dik) wolkendek de
(warm) en
(licht) stralen de weg.
Op zo’n
(grauw),
(somber) dag regent het vaak.
Maar zodra de zon weer schijnt op de
(nat) velden, planten, meren en zeeën, verdampt het water.
De
(warm) lucht voert het in
(piepklein) druppeltjes mee naar boven.
Die
(klein) druppeltjes vormen grote wolken en vallen dan weer als regen op de aarde.
Zo is water in een
(eeuwig) beweging.
Volgens de
(menselijk) kalender begint het jaar op 1 januari, dus midden in de
(koud) winter.
Het zonnejaar begint in de lente met de
(zonnig),
(warm) helft van het jaar.
Planten en dieren passen zich op een
(wonderbaarlijk) manier aan de
(licht) en
(donker),
(warm) en
(koud) dagen aan.
In de
(warm) lentezon smelt de
(kil) sneeuw.
Ook de
(hardbevroren) grond gaat ontdooien en wordt langzaamaan weer
(zacht) grond.
Door de aarde en de
(dor) bladeren op de grond werken zich de knoppen van
(nieuw) voorjaarsbloemen naar boven toe, naar het licht.
Planten hebben zon nodig. Hun
(groen) bladeren houden de energie vast en maken daarmee zelf voedsel.
Ze nemen koolzuurgas op uit de lucht, en uit de
(voedzaam) grond water, waarin voedingszouten zitten in
(opgelost) vorm.
Dit
(merkwaardig) proces noemen we fotosynthese. Daarbij speelt het bladgroen een belangrijke rol.
Controleer
OK
<=
Index
=>