Noteer de juiste vorm van het werkwoord: tegenwoordige tijd (t.t.) - verleden tijd (v.t.) - voltooid deelwoord (v.d.)

Gatenvuloefening

Vul de gaten in. Druk dan op "Antwoord controleren" om uw antwoorden te controleren. Gebruik de "Hints"-knop om een extra letter te krijgen, wanneer u het lastig vindt om een antwoord te geven. Let wel: u verliest punten, wanneer u hints vraagt!

opvangen => jij (t.t.) => ik (v.t.) => hij heeft iets (v.d.)
uiten => jij (t.t.) => ik (v.t.) => hij heeft iets (v.d.)
vervallen => het (t.t.) => het (v.t.) => het is (v.d.)
inhouden => jij (t.t.) => ik (v.t.) => hij heeft iets (v.d.)
bepalen => jij (t.t.) => ik (v.t.) => hij heeft iets (v.d.)
beoordelen => jij (t.t.) => ik (v.t.) => hij heeft iets (v.d.)
zich afvragen => jij (t.t.) => ik (v.t.) => hij heeft iets (v.d.)
uitoefenen => jij (t.t.) => ik (v.t.) => hij heeft iets (v.d.)
afleveren => jij (t.t.) => ik (v.t.) => hij heeft iets (v.d.)
inhalen => jij (t.t.) => ik (v.t.) => hij heeft hem (v.d.)
stijgen => jij (t.t.) => ik (v.t.) => het is (v.d.)
kiezen => jij (t.t.) => ik (v.t.) => hij heeft iets (v.d.)
drukken => jij (t.t.) => ik (v.t.) => hij heeft iets (v.d.)