Noteer de juiste vorm van het werkwoord in de tegenwoordige en de verleden tijd. Noteer ook het voltooid deelwoord.

Gatenvuloefening

Vul de gaten in. Druk dan op "Antwoord controleren" om uw antwoorden te controleren. Gebruik de "Hints"-knop om een extra letter te krijgen, wanneer u het lastig vindt om een antwoord te geven. Let wel: u verliest punten, wanneer u hints vraagt!

1 maken - hij (tt) jij (vt) ik heb
2 schenken - hij (tt) jij (vt) ik heb
3 stutten - hij (tt) jij (vt) ik heb
4 ontwerpen - hij (tt) jij (vt) ik heb
5 bedekken - hij (tt) jij (vt) ik heb
6 toepassen - hij (tt) jij (vt) ik heb
7 gebruiken - hij (tt) jij (vt) ik heb
8 worden - hij (tt) jij (vt) ik ben
9 afbreken - hij (tt) jij (vt) ik heb
10 heropbouwen - hij (tt) jij (vt) ik heb
11 bouwen - hij (tt) jij (vt) ik heb
12 aanvoeren - hij (tt) jij (vt) ik heb
13 slepen - hij (tt) jij (vt) ik heb
14 aanleggen - hij (tt) jij (vt) ik heb
15 verhogen - hij (tt) jij (vt) ik heb
16 brengen - hij (tt) jij (vt) ik heb
17 oprichten - hij (tt) jij (vt) ik heb
18 versieren - hij (tt) jij (vt) ik heb
19 reinigen - hij (tt) jij (vt) ik heb
20 zalven - hij (tt) jij (vt) ik heb